5e Bach- Orgelmatinee Zaterdag 8 augustus Sint-Baafskerk Aardenburg door Organist Wim van de Wege uit Goes

Foto organist Wim van de Wege4webWim van de Wege werd in 1966 geboren te Terneuzen. Zijn muzikaliteit werd al op jonge leeftijd ontwikkeld door de orgellessen die hij van zijn vader, Jan van de Wege, kreeg. Daarna volgde hij orgellessen bij zijn broer Ad van de Wege. Na zijn middelbare school ging hij studeren aan het Brabants Conservatorium te Tilburg met de hoofdvakken orgel en piano, waar hij zijn diploma’s Docerend en Uitvoerend Musicus behaalde bij o.a. Bram Beekman. In die tijd gaf hij regelmatig orgelconcerten in binnen- en buitenland. Hij concerteerde o.a. op monumentale orgels te Londen. Omdat Wim van de Wege koos voor het docentschap aan het Voortgezet Onderwijs, studeerde hij verder Nederlands aan Hogeschool Rotterdam en in 2007 behaalde hij zijn Diploma Beeldende Kunst en Vormgeving aan Willem de Kooning Academie te Rotterdam. Op dit moment is hij werkzaam als docent Beeldende Vakken en geeft in zijn atelier workshops schilderen/tekenen. Daarnaast exposeert hij zijn schilderijen en aquarellen met grote regelmaat in binnen- en buitenland. Als organist – en begeleider treed hij nog met regelmaat op.

1.Praeludium en Fuga in C, BWV 546.
Beide delen van dit werk stammen niet uit dezelfde tijd. Aangenomen wordt dat de Praeludium in 1730 in Leipzig is ontstaan en de fuga in 1716 te Weimar. De Praeludium is gebouwd op een reeks machtige akkoordzuilen, waarboven na enige maten zich stijgende en dalende triolenfiguren vormen. De vorm wordt aangeduid met de letters A en B, welke delen afwisselend optreden in de hoofdtoonaard c, en in die van de dominant g. deel B, dat fugatisch is geschreven doet denken aan een dubbelfuga, vanwege het optreden (gelijktijdig) van twee thema’s. De Fuga is van een enigszins afwijkende structuur. Op het eerste horen lijkt het een dubbelfuga te zijn. Na een brede expositie( uitstalling – van het thema in de verschillende stemmen) volgt een tweede thema, dat echter niet op een aan de regels van de fugavorm beantwoordende wijze wordt geëxposeerd, maar zich manifesteert in de vorm van een canon. Aan het einde bereikt Bach een ongewone grote spanning die in de slotmaten tot zes- en zevenstemmigheid leidt en zich oplost in een stralend achtstemmig C-dur slotakkoord.

2.Choralvorspiel ‘Ich ruf zu dir Herr Jesu Christ’ BWV 639.
‘Das Orgelbüchlein’ is een onvoltooid gebleven verzameling van 45 koralen, door Bach omstreeks 1717 te Weimar in gevangenschap- vanwege een geschil met zijn broodheer Herzog Wilhelm Ernst – bewerkt. Ze bestrijken het hele kerkelijke jaar. De opzet van Bach was een serie van 164 koralen, wat blijkt uit de blanco bladzijden tussen de 45 koralen. Na zijn vrijlating bleef het werk onvoltooid liggen. In het ‘Ich ruf zu dir Herr Jesu Christ’ treden klopmotieven in de bas op, die het aanhoudend roepen prachtig illustreren.

3.Twee koralbewerkingen – ‘Wachet auf, ruft uns die Stimme’, BWV 645 en –
‘ Wo soll ich fliehen hin ‘ (BWV 646).
De zes Schübler koraalbewerkingen die Bach omstreeks 1746 m bij Johann. Schübler uitgaf zijn op één uitzondering na arrangementen uit zijn kerkcantaten. ‘ Wacht auf, ruft uns die Stimme ‘ stamt uit Cantate BWV 140 als tweede couplet van dit lied ’Zion hört die Wächter singen’. ‘ Wo soll ich fliehen hin ‘ ook
bekend als ‘ Auf meinen lien Gott ’- eveneens een trio – is waarschijnlijk afkomstig uit een verloren gegane cantate.
4.Concerto in G, BWV 592 ( Allegro – Grave – Presto). Net als veel andere componisten uit het verleden leende Johann Sebastian Bach regelmatig van zichzelf en bewees hij zijn tijdgenoten de eer nieuwe zettingen van hun muziek te maken. Daarom is het geen verrassing dat zijn omvangrijke oeuvre voor orgel transcripties bevat van zowel zijn eigen werk als die van zijn collega Antonio Vivaldi. Prins Johann Ernst von Sachsen-Weimar verbleef, volgens Walthers Musikalisches Lexikon (1732), van februari 1711 tot maart 1713 in Nederland. De reis betrof een zogenaamde Kavalierstour. Toen prins Johann Ernst terugkeerde mocht hij van vader Ernst geen gebruik maken van het hoforkest. Johann Ernst gaf toen opdracht om zijn uit Amsterdam meegenomen muziek, (instrumentale partijen, dus geen partituren), voor het orgel en klavecimbel in te richten. Zodoende maakten Bach en diens neef Johann Gottfried Walther bewerkingen, waarvan het Concerto in G er één is. Zes concerto’s verschenen in 1718 in druk, drie jaar na het overlijden van Johann Ernst. Tussen Bach en Walther werden vermoedelijk taakafspraken gemaakt, want er zijn geen overlappingen in hun bewerkingen. Er zijn echter wel twee verschillen. Johann Sebastian Bach werkte om en voegde nieuwe noten toe, Walther hield zich geheel aan de notentekst. Het 1e deel – Allegro- is in Italiaanse stijl, het 2e deel – Grave -heel aardig duet met begeleiding. Het derde en laatste deel is een Presto in een rondo-achtige vorm: het thema keert telkens in een andere vorm, na een tussenspel (couplet), terug.

Comments are closed.