3e Bach-Orgelmatinee Zaterdag 25 juli 2015 door Rolf Wolfensberger

3e Bach-Orgelmatinee Zaterdag 25 juli 2015 door Rolf Wolfensberger

Rolf WolfensbergerRolf Wolfensberger werd geboren in Vlissingen en opgegroeid in Terneuzen, studeerde aan het Sweelinck Conservatorium te Amsterdam: orgel bij Jacques van Oortmersen en piano bij Ronald Brautigam. Hij behaalde onder meer het diploma Uitvoerend Musicus Orgel. Als organist is hij werkzaam bij begraafplaats Zorgvlied te Amsterdam. Tevens is hij te horen in de maandelijkse kunstenaarsmis in museum Ons lieve Heer op Solder te Amsterdam. Sinds januari is hij – na bijna 18 jaar – weer te horen in de zondagse diensten in de Goede Herderkerk of de Opstandingskerk te Terneuzen. Hij is vast begeleider (op piano of orgel) van het Gaasperdams Gemengd Koor te Amsterdam. Onder leiding van dirigent Frank Hameleers wordt momenteel enthousiast gerepeteerd voor een uitvoering van het Deutsches Requiem van Brahms. In het buitenland gaf hij een aantal concerten in Duitsland en Zweden.

Programma.

1.Trio in G BWV 1027A. is een bewerking van Johann. Seb. Bach’s eigen werk namelijk het Allegro-Moderato uit Sonate nr. 1 in G- Dur BWV 1027. Deze sonate is terug te voeren op BWV 1039 – Sonate in G majeur voor twee fluiten en basso continuo, die rond 1720 door Bach in Köthen zou zijn geschreven. Ook is van deze fluitversie weer een versie gereconstrueerd voor twee violen en basso continuo door uitgever Hans Eppstein. De bewerking voor bewerking voor orgel kreeg het BWV nummer 1027a.

2. Canzona in d BWV 588. Het is bekend dat Bach steeds trachtte zijn kennis uit te breiden aan de hand van wat andere componisten schreven. Veel tijd besteden hij aan het kopiëren van composities van tijdgenoten. Zo is ook de Canzona in d een rechtstreekse studievrucht van tenminste twee muzikale werken: ‘Livre d’Orgue’van Nicoals de Grigny (1671-1703) en Frescobaldi’s ‘Fiori Musicali’ (1635), waarvan de inzet van het vierde deel veel verwantschap vertoont met het thema van Bach. In de Canzona Bach houdt zich streng aan het vormschema. Het werk is omstreeks 1709 te Weimar ontstaan.

3. Allabreve in D BWV 589. Dit werk, dat in allabreve-maat (2/2) is geschreven maar daaraan niet zijn titel ontleent, ontstond rond 1709 te Weimar. We moeten hierbij denken aan de notatie in grote notenwaarden van de oude polyfonisten. Het werk is breed van opzet en heeft een rustig karakter, met opwaarts strevende lijnen. De altstem is door Bach als zelfstandig thema gebruikt voor zijn Fuga in D ( BWV 580), eveneens in allabreve-notatie. Tegen het slot verlaat Bach zijn aanvankelijk meest diatonische schrijfwijze en treedt het chromatische element meer op de voorgrond.

4. Choralbearbeitung ‘ Kyrie, Gott Vater in Ewigkeit’ BWV 669.

In deze compositie (een werk voor ‘organo pleno’) wordt de eerste regel niet alleen canonisch, maar ook in tegenbeweging geïmiteerd: de alt stijgt, de sopraan daalt (let op de syncope in de tweede maat). De Bas is hier de stem die de cantus firmus draagt. Speciale aandacht vragen de slotmaten, die het ‘eleison’ met zijn smekend karakter prachtig illustreren op een wijze die doet denken aan het ‘crucifixus’ uit Bachs Hohe-messe.

5. Choralbearbeitung ‘Allein Gott in der Höh’ sei Ehr’ BWV 711. Dit is één van de vele koraalbewerkingen die Bach maakte van dit ‘Duitse Gloria’. Het heeft de vorm van een Bicinium- een tweestemmig werk met een cantus firmus als grondslag. De onderste stem geeft een bewegelijke imitatie van de eerste koraalregel, waarna de bovenstem met het koraal inzet.

6. Choralbearbeitung ‘Wir glauben all’ an einen Gott’ BWV 680. Het hoofdkenmerk van dit werk is de basso ostinato (een basmotief dat zich in het gehele werk voortdurend herhaalt in verschillende toonsoorten). De overige stemmen bewegen zich fugatisch boven deze bas.

7. Gigue-Fuga in G BWV 577

Comments are closed.