Zwoegende gamba wordt lieflijke luit

Reportage Van onze verslaggever Roland de Beer,

AARDENBURG/AMSTERDAM – De Bachvereniging en het Concertgebouworkest voeren Bachs Matthäus Passion uit, anders dan anders.

Bij de Nederlandse Bachvereniging komt Bachs Matthäus Passion tot klinken in een uitvoering die anders is dan anders. Voor het eerst in de geschiedenis van het gezelschap staat de passie op de lessenaars in een versie zoals Bach die zelf in 1727 voor ‘t eerst uitvoerde.

De ‘originele versie’. Daar waren Evert Cornelis, Gustav Leonhardt en andere pleitbezorgers van de oorspronkelijke Bach in 86 jaar Bachvereniging nog niet op gekomen. De ingreep geschiedt op wens van de Britse dirigent Richard Egarr.

Bij het Concertgebouworkest, de andere pijler van de Nederlandse passietraditie, zwaaide de Brit Roger Norrington ditmaal de scepter over de Matthäus. Ook Norrington deed het anders dan anders.

Omdat een gewaarschuwd mens voor twee telt, werd het publiek in het Zeeuws-Vlaamse Aardenburg – vaste prik in de Matthäus-tournees van de Bachvereniging – vanaf de kansel ingelicht door het lokale Bachcomité. Toch gingen er in de St. Baafskerk zuchten van verwondering op, toen het moment aanbrak waarop Bachs oorspronkelijke Matthäus zich het gevoeligst deed gelden.

O Mensch, bewein dein Sünde gross, de grote koraalfantasie die anders het eerste deel afsluit, schitterde ditmaal door afwezigheid. Solisten als de sopraan Maria Cristina Kier en de alt Wilke te Brummelstroete konden een glimlachje niet onderdrukken, toen ze met Christus en Egarr in hun kielzog de koffiepauze tegemoet liepen.

In plaats van het befaamde O Mensch, bewein, een magnifiek uitgecomponeerd moment van bezinning – het volgt normaliter op de scène waarin Jezus in de boeien wordt geslagen en zijn volgelingen uiteen stuiven – klonk er een redelijk simpel koraal met als onderwerp een ‘levensbeekje’.

De vraag was, wat Egarr heeft bewogen tot zijn ‘andere’ Matthäus-versie, die weinig meer oplevert dan de uitsluiting van een koor- en orkestnummer waar Bach enorm zijn best op heeft gedaan, en waarin hij een staat van genade bereikt door in één muzikale stroom gelijktijdig een snelle, een matig snelle en een langzame beweging te realiseren. Dat Bach dit nummer uit zijn eigen Johannes heeft gepikt, waar het ooit de rol vervulde van openingskoor, kan nauwelijks een bezwaar zijn geweest.

Het antwoord werd duidelijk toen in deel 2 de bas Giles Underwood zich opmaakte voor zijn aria Komm, süsses Kreuz. Bij deze aria voert meestal een zwoegende viola da gamba de begeleiding aan, met gepuncteerde noten waarin Bach iets loodzwaars lijkt te verbeelden. In de oer-Matthäus onder Egarr klinkt niet de gamba maar een grote luit, de theorbe. Het bracht een verrassende omslag met zich mee. Het zwoegen van de gamba veranderde in Fred Jacobs’ uitvoering op de theorbe in lieflijk tokkelen, een vederlichte omarming.

En verder, met die originele Matthäus? Hier en daar klonk een ander nootje, en een altzanger(es) bleek veranderd in een bas bij Ach, nun ist mein Jesus hin. De vioolsolisten I en II bleken bij aria-soli stuivertje te hebben gewisseld.

Veel meer komt het eropaan hoe Egarr zelf het er vanaf brengt. De Brit, leider van de befaamde Academy of Ancient Music, woont een kwarteeuw in Nederland, lang genoeg om de naam Wilke te Brummelstroete te kunnen uitspreken en de passietraditie door en door te kennen. Dat Egarr allerlei elementen van spontaniteit en onvoorspelbaarheid probeert in te brengen – hij wisselt vaak van cadans en dynamiek – siert hem.

Dat de passie gedurig met Egarr op de loop gaat, is een ander probleem. Zijn uitvoering in Aardenburg, met tweemaal 12 koorzangers, zwalkte tussen het bevlogene en het rommelige. Met een getalenteerde Jezus (Bas Ramselaar) die zich in de hof van Gethsemane de rol aanmat van Verdi’s Rigoletto. Gerd Türk, evangelist, bleef intact als onwankelbare verteller. In de tenor- en bas-aria’s hielden de Britten Andrew Tortise en Giles Underwood zich staande.

Britse avonturen beleefde het KCO in de vorm van cathedral choir-achtige koraalzang, waar 32 jongeren van het Nationaal Kinder- en Jongenskoor aan mee mochten doen, los van hun gebruikelijke partijen in het openings- en slotkoor van het eerste deel. Van hun samenwerking met het Omroepkoor ging iets gemoedelijks uit. Meer zat er bij Roger Norrington vermoedelijk ook niet achter.

BRON: http://www.volkskrant.nl

Dit bericht werd geplaatst in In de Media. Bookmark de permalink .

Reacties zijn gesloten.